De zoektocht naar gezonde twijfel

Griekenland in of uit de euro? Cruijf of Van Gaal? Wat te doen met de kwestie Mauro of Jossef? Ingrijpen in Syrië? Dagelijks worden standpunten en meningen over meest ingewikkelde dilemma’s verdedigd, aangevallen en herzien tijdens de lunch met collega’s op werk, ’s avonds aan tafel of met vrienden in de kroeg. Alleen: wat te doen als je zelf over dit soort onderwerpen nog helemaal geen mening hebt? Mag je eigenlijk twijfelen?
Het lijkt mij een benijdenswaardige positie: het moment dat je beseft dat je daadwerkelijk een expert bent op een bepaald gebied -bijvoorbeeld door een invitatie voor Zomergasten- of dat je in ieder geval de illusie hebt dat je genoeg weet om een mening te kunnen hebben. Eindelijk de nuance voorbij en met een onwrikbaar vertrouwen de openbaarheid in en het debat- soms minder succesvol- aangaan. Zelf worstel ik met nuance: kan ik het mij permitteren om te veranderen van standpunt , of om openlijk te twijfelen?
Venkelrisotto en aletheia
Ik werd er recentelijk onverwacht frontaal op aangevallen tijdens een diner: er werd mij verweten dat ik teveel doorvraag, dat ik te voorzichtig ben in het geven van mijn mening, twijfel en, meest shockerend, dat mij derhalve lafheid verweten kon worden. Mijn nieuwsgierigheid naar andermans drijfveren, de drang om mij te verplaatsen in andermans positie, argumenten begrijpen, andermans emotie zelfs bijna doorleven, als een verwijt op mijn bord krijgen. Naast de venkelrisotto. Dat was onverwacht.
Het betitelen van genuanceerd denken of twijfel als lafheid kun je subiet wegwuiven als waanzin, domheid en oppervlakkigheid van de verwijter maar dat is niet geheel terecht. In een wereld van steeds kortere soundbites, oneliners, chargeren en polarisering zijn nuance en twijfel misschien wel onwenselijk: het past simpelweg niet in het contempoire verwachtingspatroon van mensen. Zoals René Gude in een artikel over twijfel dat de Griekse democratie een sterk delibateratief element kende: een proces waarbij verschillende standpunten voor iedereen zonder oordeel naast elkaar werden toegelicht in de openbaarheid, de zogenaamde aletheia. “Dat kan alleen” stelt Gude “als je tijdelijk van een oordeel afziet, als je opzettelijk sceptisch bent”. Zo werd transparante duidelijkheid verschaft voordat een besluit genomen werd. De Grieken zagen twijfel derhalve als nastrevenswaardige toestand, alvorens men kwam tot het vormen een mening (doxa) en een besluit.
Er zijn verschillende verschijningsvormen van twijfel. Een bekend- maar extreem- voorbeeld is Shakespeare’s Hamlet, prins van Denemarken, opgetekend in 1603. Nadat Hamlet verneemt wie de moordenaar van zijn vader is onderneemt hij niet direct actie, zoals menig held zou doen, maar begint hij te twijfelen. Hij aarzelt, weegt af en twijfelt zodanig dat zijn twijfel resulteert in besluiteloosheid en daarmee pathologisch of zelfs immobiliserend genoemd kan worden; een symptoom van stoornissen dat in de psychiatrie bekend is. Overigens heeft hij wel lief, dat is een fijne bijkomstigheid
Twijfel als kwaad
Genoeg filosofen en wetenschappers bepleiten dat twijfel inderdaad een noodzakelijk kwaad is, zelfs een straf. Gude stelt dat er in onze samenleving “sceptische horzels” rondlopen die doelbewust twijfel zaaien om zo te voorkomen dat we ooit nog in de valkuilen en dogma’s van het begin van de twintigste eeuw trappen. Het niet-weten als doel hebben, zo zegt hij “betekent als een getergde Faust naar buiten treden en ondertussen als een vrolijk vrijblijvende Mefisto door het leven dansen”. Terloops laat hij ook nog eens vallen dit voor sommige sceptici zelfs broodwinning is, wat hij uiterst laakbaar acht. Het is een veilige maar vileine aantijging die meer lijkt plaats te vinden uit frustratie of onmacht dan vanuit een gegronde overtuiging. Begrijpelijk, want de verhouding in een discussie of persoonlijk debat raakt ernstig uit balans wanneer je gesprekspartner de rol van beschouwer of twijfelaar blijkt te hebben: je wordt in de verdediging gedrongen, zonder munitie om de aanval te kunnen openen. Het standpunt en de mening blijken onmogelijk aan te vallen, simpelweg omdat ze niet –uitgekristalliseerd- bestaan. De enige resterende optie is de twijfelaar ad hominem aan te vallen en als dogmatisch scepticus te betitelen.
Filosofen Anton Zijderveld en Peter Berger bepleiten in “In Praise of Doubt” (2009) dat twijfel helemaal niet kwalijk is: in hun ogen kunnen fundamentalisme, fascisme en zelfs extreem relativisme allen genezen worden door twijfel te omarmen als fundamentele grondhouding. Morele dilemma’s verdienen juist grondige twijfel, zo stellen Zijderveld en Berger. Daarnaast is twijfel in sommige gevallen een logisch gevolg van een beperking, bijvoorbeeld in de politiek, omdat het simpelweg onmogelijk is om over alle kennis of de gehele waarheid te beschikken.
Paradoxale keuze voor de twijfel
Daar zit uiteindelijk wellicht de angel. Korzibsky zei ooit dat er twee manieren zijn om gemakkelijk te leven: “door alles te geloven of door alles te betwijfelen”. Ik denk dat ik voor de ongemakkelijke weg moet kiezen: selectieve twijfel en nuance. Als er een absolute of zeer plausibele waarheid beschikbaar is, heeft twijfel als stap in de vorming van een mening of oordeel alleen zin om kwaliteit van mijn besluit te verhogen. Het heeft weinig zin om uren over het avondeten te twijfelen in de supermarkt, maar het is verstandig om de primaire impuls te betwijfelen en beteugelen om vervolgens een wellicht wat gezondere keuze te maken. Als het echter aankomst op moralistische thema’s kan en wil ik stevig doortwijfelen, geholpen door zoveel mogelijk meningen, beschouwers en bevragers. Gelukkig blijkt René Gude dat te delen als hij Goethe aanhaalt: “verdediging van alles wat waarde heeft vergt een actieve scepsis die onafgebroken bezig is zichzelf te overwinnen om door geregelde ervaring tot een soort voorwaardelijke zekerheid te komen”. Voorwaardelijke zekerheid. Daar durf ik best voor te tekenen.
Foto via Flickr – Debord.
