Een groot geel kuiken dat glimlacht
Het verslag over wat indruk heeft gemaakt moet ongeveer een A4′tje beslaan. Dat is moeilijk. Er is zoveel dat indruk heeft gemaakt.
Als ik iets moet kiezen, dan een onderdeel van donderdag de 12e. Die dag bezochten we een Palestijns vluchtelingenkamp, waar onze komst op traditionele wijze werd ingeluid. Wat flauw misschien, maar ik doel op de stenen die tegen de bus werden gegooid. De daders zagen er niet bepaald gevaarlijk uit – kinderen van tussen de acht en dertien jaar – maar prettig was het niet.
Een goed verhaal misschien, voor thuis of op het werk.
Enkele reisgenoten spraken achteraf van ‘kiezelstenen’, maar daarmee wordt de werkelijkheid geweld aangedaan. Zeker, er waren kleinere stenen bij, maar ook gewone, ouderwetse stenen, van het formaat dat de televisiekijker kent uit de eerste intifada. De buschauffeur, een Palestijn die in Israël werkt en woont, raakte van streek en weigerde aanvankelijk door te rijden.
In de bus ontstond een wonderlijke hilariteit. Hier zaten we, in een bus met grote ramen, als op een safaritocht door de Beekse Bergen, te kijken naar de zich woest voordoende Palestijnse jeugd. Om mij heen werden grappen gemaakt en ik deed mee. Het was ook grappig. Bovendien raakten de stenen alleen het staal en niet het glas van waarachter wij toekeken. Dat leek me veelzeggend, want hoewel het ook mogelijk was het glas te raken, gebeurde dat niet. Trouwens, het was maar een minderheid die daadwerkelijk gooide. Er liepen ook schatjes tussen, met rugzakjes en grote ogen. Nee, het grootste deel van deze kinderen zou nog jaren geen bomgordel dragen.
Ik schertste dat een driejarige de bus naderde met een appel in zijn hand.
Een opmerking over Gouda hield ik voor me. Intussen dacht ik na over de chauffeur. Zouden er verzekeraars zijn die de schade aan zijn bus, opgelopen in een vluchtelingenkamp op de Westoever, wilden vergoeden?
Wij vervolgden onze reis door het kamp, dat niet bestond uit tenten, maar uit flats. In verhouding tot de meeste Arabische steden waar ik geweest ben, zag het Palestijnse kamp er niet zo heel anders uit. Wie weleens gereisd heeft, kan al gauw armoediger plaatsen opnoemen – althans, armoediger ógende plaatsen, want de buitenkant zegt niet alles. De toekomstperspectieven zijn erbarmelijk.
Een in het oog springend verschil met andere Arabische steden vond ik de posters op de muren met daarop Arafat en Abu Mazen (vaak samen afgebeeld), Hamas-icoon Sjeik Yassin, en de vergeelde of verblauwde portretten van inmiddels opgeblazen zelfmoordterroristen. Verder veel gele vlaggen, die voor Fatah wapperden. Het conflict was overal zichtbaar.
In een schoolgebouw met een speeltuintje woonden we een korte lezing bij. Toen de spreker daarnaar gevraagd werd, zei hij voorstander te zijn van de tweestatenoplossing langs de groene lijn van ‘67. Een vriendelijke kerel.
Mijn aandacht werd getrokken door een collage aan de muur, niet veel groter dan een A4’tje, waarop de Palestijnse vlag was afgebeeld, in de vorm van de staat Israël en de gebieden die zij bezet houdt. Op de middelste baan van de vlag waren twee foto’s gelijmd van strijders die in de rook staan van hun net afgevuurde qassamraket.
De muur ernaast was behangen met kindertekeningen. De felgekleurde wereld die daarop stond afgebeeld, kwam mij vertrouwder voor dan die van de collage op de aangrenzende muur. Het trof mij als een prettig idee, dat alle kindertekeningen op elkaar lijken, waar je ook komt. Groen gras. Een knuffelbeer met een roze konijn. En een groot geel kuiken dat glimlacht. Even was het conflict niet meer zichtbaar.
