Wat Hebben We Weer Genoten

Eind augustus verschijnt Wat Hebben We Weer Genoten. Aan dit boek over mijn reis door Afrikaanse landen die in het verdomhoekje zitten, werkte ik het afgelopen jaar onafgebroken. Nu de definitieve deadline nadert geef ik de eerste 750 woorden alvast prijs.
„Dus je gaat naar Soedan?” vraagt de partner van het advocatenkantoor na afloop van het sollicitatiegesprek. De boord van mijn overhemd knelt, in de liftspiegel schrik ik van een rood gezicht dat van mij blijkt te zijn. De lift zoeft van de hoogste verdieping naar de begane grond. De partner is een eik die stevig geworteld is in vruchtbare Hollandse klei. Zijn krijtstrepen maatpak hangt losjes over zijn brede schouders. Maatwerk. Of hij boeken leest betwijfel ik.
„Dat klopt,” zeg ik.
Het was me tot dusverre niet gelukt in echte mensentaal uit te leggen waarom ik naar de Hoorn van Afrika wilde. En Afrika als reisbestemming heeft onaangename sociale implicaties. ‚Afrika’ zeggen splijt de mensheid in tweeën. Er bestaat een groep mensen die Afrika verheerlijkt, wereldmuziek aanschaft, en denkt dat we nog een hoop te leren hebben van de levensvreugde die daar aan de orde van de dag is.
Je hebt ook een groep die Afrika als een diepe put ziet waar belastinggeld naartoe wordt gebracht.
Ik reken de partner tot de laatste groep. Een groeiende groep, en een absolute meerderheid op de Zuidas.
Naar Afrika gaan is voor mensen uit de laatste groep hetzelfde als beweren dat jouw blik ruimer, weidser en mondainer is dan die van de ander. Dat je een avonturier bent, of erger, een weldoener. Dat ontwikkelingshulp moet worden opgeschroefd. Dat wij bloed aan onze handen hebben. De mensen uit de laatste groep zijn luie toeristen – nee, fascisten die de politieke en sociale misstanden negeren en liever in behaaglijk en gecapitonneerde luxe van zorgvuldig afgeschermde hotels verblijven.
Deze gevaren zie ik, maar ik mag niet falen. Niet na al die intelligentietests, psychologische onderzoeken, juridische casussen en het naar tevredenheid antwoord geven op de vraag: hoe ziet jouw privé-leven er uit?
Dat ik van plan was Soedan te bezoeken had ik me per ongeluk eerder laten ontvallen, en er wordt van mij verwacht dat het een rationele beslissing is geweest. Het enige wat dan rest is het spelen van de toerismekaart.
„Wat ga je daar eigenlijk doen, in Soedan?” informeert de partner.
„In Soedan?” vraag ik schaapachtig, „Er zijn daar een heleboel mooie piramides, die zelden bezocht worden.”
„Werkelijk?” zegt hij. Zijn ogen dwalen af naar zijn telefoon, die al een tijdje piept en zoemt. Tijdens de sollicitatie zelf was zijn blik al onvast geweest, vanaf de hoogste etage konden we heel Amsterdam overzien. Ik stelde me voor dat een dergelijk uitzicht de holenmens in de partner bevredigt. Inzicht in een juridisch dossier en overzicht op een steppe of stad liggen in elkaars verlengde. Of zijn gedachten dwaalden af naar de nieuwe advocaat-stagiaire.
„De mensen schijnen ook heel aardig te zijn,” ga ik verder. Dat Soedanezen aardig zijn heb ik van iemand gehoord en hoewel ik dat toen een aannemelijke stelling vond, klinkt het nu ik het mezelf hoor zeggen niet meer aannemelijk.
Naïef is het woord.
„Maar is daar geen oorlog?” dringt hij aan. De liftdeuren wijken en we betreden de grote glanzende marmeren vloer van de begane grond. Onze voetstappen galmen beschaafd in het hoge, ruime vertrek. Omdat in Soedan de grootste genocide sinds de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden en er sprake was van een burgeroorlog die binnen niet al te lange tijd door een referendum dreigt op te laaien, acht ik ook dit onderwerp voorlopig ongeschikt voor verdere opheldering.
„Concreet blijven,” zeg ik tegen mezelf, „Concreet blijven, niet afdwalen.”
Ik staar naar de glimmende neuzen van mijn schoenen. „Er wordt zo nu en dan wel eens gevochten,” geef ik toe, „maar zolang je de Nijl volgt merk je daar eigenlijk niets van.”
De partner kijkt me onderzoekend aan, alsof ik zojuist een complexe juridische kerstboom heb opgetuigd. Tijdens het sollicitatiegesprek tuigde ik ook al een complexe kerstboom op. De verkeerde kerstboom, moet ik er bij zeggen.
We bereiken de hoge, traag draaiende glazen deur.
„Je hoort snel van ons,” zegt de partner.
We gaan ieder ons weegs; hij terug naar zijn bureau om bedrijven te begeleiden in hun opheffing, splitsing of fusie; ik naar buiten, waar een oktoberregen begonnen is de Zuidas schoon te spoelen.
De volgende dag wordt er gebeld: slecht nieuws. Daarna staar ik lang uit het raam tot het buiten donker is geworden.
Plotseling dringt de behoefte aan woestijnen zich op. Als ik ga mislukken, en daar lijkt het op, dan kan dit maar beter onopgemerkt plaatsvinden.
In Soedan bijvoorbeeld.
Dialoog in de stiltecoupé
De trein. Verguisd, bejubeld, gehaat en bemind, schoolvoorbeeld van privatisering én van desatreuze marktwerking tegelijkertijd. Sinds een paar maanden zit ik wekelijks minimaal enkele uren in de trots van de industriële revolutie en zweef ik van de onpersoonlijke randstad door uitgestrekte weilanden naar Groningen – en terug. Het landschap trekt veranderend voorbij.
Niet alleen het landschap is aan verandering onderhevig, maar ook de reizigers en de bijbehorende gebruiken wisselen met de kilometer. Van de reizigers die van luchthaven Schiphol komen en hun rondreis door Afrika willen delen, de student met pathologische tentamenangst tot aan de pensionado die een dagje uit is. Langzaam groeit mijn wekelijkse trip uit tot een sociologische studie.
Laboratorium
De trein bevat namelijk sinds 2003 een laboratorium waar menig onderzoeksinstituut jaloers op kan zijn: de stiltecoupé, mét huisregels. Voorzien van een subtiele illustratie boven de deur en losgepeuterde stickers op de ramen is dit voor de één vrijplaats voor anarchie, voor de ander de enige veilige fatsoenshaven van normen en waarden. Spreek je bellers aan of niet? Hardop keuvelende oma’s? De huilende vrouw die snikkend een vriendin belt? Of zet je het gewoon online? Dilemma’s alom. Herkenbaar? Thijs Niemandsverdriet –politiek redacteur NRC Handelsblad- stoorde zich ook en helpt handhaven met een praktische aanpak om in vijf stappen serene stilte terug te laten keren in de coupé. Wat blijkt: overlast in de stiltecoupé blijkt een dermate heftige bron van irritatie te zijn, dat de NS heeft besloten in te grijpen. Hoe? Simpel: door reizigers beter te informeren. Een klassiek geval van de bal terugleggen waar hij hoort: bij de reizigers zelf. Zoals de woordvoerder zegt: ‘We moeten het treinreizen samen levendig houden. Het is een kwestie van fatsoen.”
Vilein
Eigenlijk vinden we de stiltecoupé volgens mij helemaal niet fijn omdat het er stil is, maar omdat er zulke duidelijke fatsoensnormen gelden -met symboliek omfloerst- waardoor we eindelijk legitiem de ander kunnen aanspreken. De vervaging van breed gedragen fatsoensnormen én sociale cohesie kan de brave reiziger eindelijk compenseren in de stiltecoupé. Wie in de grote wereld buiten de trein zijn buurman niet meer durft aan te spreken over het afval voor de deur, een te hard staande stereo of het fietsen op de stoep grijpt zijn kans in de stiltecoupé. We zwelgen in onze irritatie als niemand het initiatief neemt om de overtreder aan te spreken. Als dat wel gebeurt worden mensen vilein terecht gewezen op overtreding en knikken we tevreden met de achterblijvers als de zondaar zich heeft verwijderd uit de coupé. Ik beken: ook ik spreek anderen makkelijker aan in de trein, met klein genoegen. Is dat erg?
Gevaarlijk
Fatsoen is iets moois en iets gevaarlijks tegelijkertijd. Ilja Leonard Pfeijffer heeft er recent een schitterend én genuanceerd stuk over geschreven wat u simpelweg moet lezen. Pfeijffer:
“Eigenlijk is het net zoiets als liefde. Het vermogen om van een ander mens te houden is een van de mooiste eigenschappen van de mens. Maar liefde kun je niet opleggen aan iemand anders. Liefde afdwingen is iets misdadigs. Precies zo is het met fatsoen. Wie zichzelf fatsoensnormen oplegt, is een goed mens, maar wie die normen wil opleggen aan een ander, moet met het grootst mogelijke wantrouwen worden bejegend.”
Behoefte
De legitimiteit van het opleggen van fatsoensnormen kun je inderdaad in twijfel trekken, maar de blijvende behoefte aan fatsoen is een interessant fenomeen wat op meer duidt dan een democratisch tekort wat je kunt wegzetten als fascisme. Fatsoensnormen zullen altijd ontstaan omdat mensen willen kunnen omgaan met de ruimte binnen de staatsrechtelijk vastgelegde vrijheid. Pfeijffer stelt dat jezelf fatsoensnormen opleggen nobel is, maar legt niet uit hoe en waarom die normen tot stand komen, terwijl juist dát ze legitimeert. Academicus Thijs Kleinpaste schreef over moraliseren en vrijheid al een stuk, waarin hij stelt dat er –zonder elitarisme en onder voorwaarden als bescheidenheid en redelijkheid- weer een dialoog op gang moet komen over het goede. Dat lijkt mij helemaal geen slecht idee.
Dialoog
Het simpelweg wijzen op het feit dat een fatsoensnorm wordt overschreden in de stiltecoupé is zinloos, het gaat om het aangaan van een dialoog om inzichtelijk te maken waarom die normen er uberhaupt zijn en vooral waarom je ze niet deelt. Mijn oplossing is dan ook anders dan die van Niemantsverdriet: ik vraag tegenwoordig: “waarom praat u in de stiltecoupé?”. Het resultaat? Vooralsnog leverde dit viermaal diepe stilte op, eenmaal een woest betoog over bemoeienis en –ik had het kunnen verwachten – éénmaal paradoxaal genoeg een medepassagier die vroeg of wij het gesprek daarover elders konden voortzetten. “U zit namelijk in de stiltecoupé”.
Foto via Flick: ednl
TED Ed brengt Flip Teaching naar het klaslokaal

Als bezoeker van onze academieblog ben je ongetwijfeld bekend met de video’s van TED. Regelmatig gebruiken we deze in posts om aan de hand van inspirationele sprekers onze ideeën te illustreren. Inmiddels worden er talloze onafhankelijke TEDx evenementen over de hele wereld gehouden. Vanuit deze internationale conferentie is er nu een nieuw online platform dat docenten kunnen gebruiken om les te geven.
De Zweedse Piratpartiet in beeld

One-issue partij. Hoezo diepte zien? Met een oog zie je toch genoeg?
Jack for president?

Jaa.. en toen waren de onderhandelingen in het Catshuis mislukt, hebben we nagenoeg een gevallen kabinet en lijken nieuwe verkiezingen aanstaande. Wie anders dan Jack de Vries is dan een interessante gast voor de BKB Academie? Helaas. Zulke geluksvogels zijn die BKB Academici nu ook weer niet. Door een verschuiving van onze sessie met Jack de Vries, spraken we hem acht dagen te vroeg. Donderdagavond 12 april. Toen nog geen onthoofd kabinet, maar wel een hoop wijze lessen voor eventuele verkiezingen. Zéér actueel dus.
Lang leve het moralisme

De grootste dooddoener van dit moment is misschien wel uitgemaakt worden voor fatsoensrakker of moralist. De beschuldiging komt te pas en te onpas bovendrijven, dikwijls gericht aan mensen die het gewaagd hebben ergens over te oordelen. Nu moeten we met oordelen altijd voorzichtig zijn (lees er Mattheüs 7:1-5 er maar op na), maar wat is er ook alweer mis met moralisme? In onze tegenwoordige opvatting over vrijheid staat het dogmatisch geloof dat een ander niet over ons mag oordelen en dat ons geen strobreed in de weg gelegd mag worden als we zin hebben om iets te doen of te laten op een voetstuk. Is die narcistische vrijheid zaligmakend?
De Britse schrijver Matthew Arnold (1822 – 1888) schreef ooit: ‘Freedom is a very good horse to ride; – but to ride somewhere.’ Vrijheid is mooi als doel op zichzelf, maar akelig leeg op het moment dat je er in alle vrijheid voor kiest om niets waardevols te doen, of alleen maar op de bank te gaan zitten. Je moet iets goeds doen met vrijheid, want pas dan krijg het zijn glans. Toch horen we dat laatste liever niet. De aversie tegen moralisme wordt gedreven door de angst om weer verstrikt te raken in een pre-1968 achtige wereld. Spruitjeslucht, bekrompenheid, u kent het wel.
Waarom zijn we eigenlijk zo bang voor de moraal? Moralisme is er in verschillende soorten en maten. Elitarisme ligt al gauw op de loer, en dikwijls is die vrees reëel. Elitarisme is makkelijk moralisme: daarvan is niemand gediend, en in het huidige tijdsgewricht zeker niet. Maar misschien is het toch niet onaardig om het moralisme, of in ieder geval een vorm ervan, toch een beetje op te vijzelen. In een artikel in The New Yorker van deze week over ongelijkheid staat een fascinerende zin die een beetje illustreert waarom:
‘The élite—who, in Murray’s account, live in unprecedented geographic and social isolation from poor and working people—are themselves hardworking, unlikely to divorce, dedicated to their children, and even comparatively religious, but, unlike the élite of Victorian England, they don’t “preach what they practice.” Somehow this manifests itself in the breakdown of social mores at the opposite end of society.’
Het citaat is de kern van een steeds vaker hoorbare, Dalrympleiaanse kritiek. De moraal van vrijheid blijheid, die een bovenklasse gebruikt om op zijn eigen manier het goede leven vorm te geven, betekent grenzeloosheid en ellende voor een onderklasse die geen maat kan houden. De wijze waarop de elite hun vrijheid consumeert – met matiging, discipline en vlijt – is niet de manier waarop diezelfde vrijheid aan de onderkant van de samenleving werkt. De elite heeft bovendien zijn handen afgetrokken van het moralisme, uit angst wellicht voor elitair (of erger: links Grachtengordel-fossiel) versleten te worden. Ze preken niet wat ze wel doen. In zo’n situatie doet vrijheid meer kwaad dan goed. Of hebben we het misschien over de verkeerde vrijheid?
Wie het heeft over vrijheid komt al snel uit bij John Stuart Mill. De apostel van het hedendaagse liberalisme schreef zijn belangrijkste werken in Victoriaans Engeland. On Liberty verscheen in 1859, Utilitarianism in 1863. Hoewel Mill vooral wordt geassocieerd met het schadebeginsel (mijn vrijheid stopt waar ik een ander schade toebreng) en de kloeke verdediging van individuele vrijheid was Mill op zijn eigen manier ook moralist. Hij worstelde met het vraagstuk van ‘goede’ vrijheid. Mill volgde zijn leermeester Jeremy Bentham in het utilitarisme, maar kon zich er niet toe zetten om, net als Bentham, te stellen dat push-pin (een nogal stompzinnig oud Engels spelletje) net zo goed zou zijn als poëzie. In de ogen van Mill was het beter een ongelukkige Sokrates te zijn dan een tevreden varken: ‘Better a Sokrates dissatisfied than a pig satisfied.’ Jezelf verheffen was voor Mill een morele plicht.
In On Liberty schrijft Mill op een zeker moment over alcoholisme en het gezinsleven. Iemand die zijn kind geen onderwijs kan bieden begaat volgens hem een misdaad tegen de samenleving en zijn nageslacht, en wie de ganse dag dronken is verdient volgens Mill onze afkeuring. Niet omdat dronken zijn op zichzelf nou om overspannen moralisme vraagt, maar omdat een dronkaard de verplichtingen tegenover zijn gezin en hun levensonderhoud niet kan nakomen. Voor Mill maakt dat alle verschil.
Mill was echter niet alleen een studeerkamermoralist. Tijdens de verkiezingen voor het Britse Parlement in juli 1865 stond hij tegenover een vrij boze menigte, omdat hij had gesteld dat de arbeidersklasse bestond uit ‘verstokte leugenaars’. Bovendien leek het Mill een beter idee als de stem van domme mensen wat minder zwaar zou tellen als de stem van slimme mensen bij verkiezingen. De menigte wilde graag weten of Mill dat echt had geschreven en wat hij er precies mee bedoelde. Mill antwoordde bevestigend, maar vond ook dat het niet helemaal hun eigen schuld was. De sociale condities van de arbeidersklasse waren zo erbarmelijk dat zij ook slachtoffer waren van de omstandigheden. De staat zou hen moeten helpen met scholing en liefdadigheid.
In eigenlijk alle opvattingen van Mill staat onderwijs, vorming en verheffing centraal. Onderwijs waarin discipline en moraal alom vertegenwoordigd zouden zijn, dat wel. De Duitsers noemden het bildung, een idee dat in de 19e eeuw in heel Europa populair was. Aardig aan Mill is echter ook dat hij niet alleen over mensen sprak, maar ook met ze. Niet zomaar onverdroten elitarisme, maar dialoog. Zelfs op de bijeenkomst met de boze kiezers kreeg hij uiteindelijk de lachers nog op zijn hand met een geestige uitleg naar het Bijbelboek Prediker.
Zou een deel van de tegenwoordig alom gevoelde vervreemding in de samenleving niet ook een beetje veroorzaakt worden door het feit dat we zijn verleerd te spreken over het goede? Misschien is het geen gek idee om weer eens te beginnen met moraliseren. Niet teveel en zeker niet uit de hoogte, maar gewoon rustig aan en in gesprek met elkaar. Met bescheidenheid natuurlijk, en met matiging en redelijkheid en oog voor onze eigen zwaktes. Jezus leerde ons immers in Mattheus 7:3-5 over de splinter en de balk: ‘…wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?’ Wijze woorden, al voeg ik er liefst wel nog wat aan toe. Geïnspireerd door de woorden van Matthew Arnold en in navolging van een beroemde analogie met een vis en een hengel zeg ik: ‘Geef een man een paard en hij is vrij om te gaan, maar geef een man een doel en hij kan ergens naartoe.’
Afbeelding via WordOnFire.org
Obama’s bedtime story

“Succes in politics had less to do with brains than guts… Democrats have failed at the basics: defining their message, attacking their opponents, defending their leaders, inspiring their voters… Americans don’t like what Republicans stand for, but they don’t know what Democrats stand for.” – James Carville en Paul Begala, Take it Back: Our party, Our Country, Our Future.
Niet alleen in Amerika, ook in Nederland, is het een vaak geuite kritiek: waar rechts/conservatief/republikein schaamteloos populistisch te werk gaat blijft links/sociaal/democraat sprakeloos in de schaduw staan. Zonder overtuigend verhaal om kiezers mee te verleiden zullen zij krampachtig en verbeten moeten blijven strijden voor dat kleine beetje macht. Er gloort echter hoop achter de horizon. The road we’ve traveled, het campagnespotje van Barack Obama waarin hij zijn boodschap voor de aankomende verkiezingen verkondigd is niets minder dan een uitmuntend in elkaar gezet relaas. Zeventien minuten perfectie waarmee hij ongetwijfeld de verkiezingen gaat winnen. Waarom is deze spot zo briljant? Hij voldoet aan de tien voorwaarden die Drew Westen in zijn boek The Political Brain stelde aan een goed campagneverhaal:
1. Het verhaal heeft de structuur die onze hersenen verwachten van een verhaal, zodat het makkelijk begrepen, verteld en herverteld kan worden
The road we’ve traveled is als een klassiek Hans Christiaan Andersen-sprookje wat begint met ‘er was eens’ en na een hoop gesodemieter eindigt met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’.
2. In het verhaal moet een held zijn die definieert waar de partij voor staat en een tegenstander die duidelijk maakt waar de partij niet voor staat
‘There never rested so much presure on the shoulders of one man… We looked at him for answers…’. Dat kan er maar een zijn: Barack Obama, die tussen neus en lippen door vergeleken wordt met Roosevelt en Clinton, twee andere democratische helden. Wie de vijand is wordt subtiel kenbaar gemaakt in een voorbeeld over de noodlijdende Amerikaanse auto-industrie waarin honderdduizenden banen op het spel staan. ‘Why put good money after bad’ zo wordt Mitt Romney over dit onderwerp gequote. En, waar zijn de 13 miljard dollar gebleven die onder het bewind van Bush tevergeefs in de car business werden geïnvesteerd…? Juist.
3. Het verhaal moet samenhangend zijn en de bedoelingen van de hoofdrolspelers moeten duidelijk zijn
The road we’ve traveled verloopt via een strikt patroon. Eerst wordt er een zekere crisis aangehaald, vervolgens wordt uitgelegd hoe subliem Obama de kwestie heeft aangepakt en tenslotte worden we er van doordrongen hoe veel beter het nu gaat. Obama’s bedoeling kan niets anders zijn dan Amerika van de ondergang te redden, hij doet het immers keer op keer.
4. Het verhaal moet een duidelijke moraal hebben
De boodschap die in het filmpje kraakhelder wordt gemaakt is dat Obama dé president is voor het gewone volk. Voor de Amerikaanse middenklasse die vrezen hun baan te verliezen, geen dure zorgverzekering kunnen betalen en de vuile streken van Wallstreet niet langer pikken. ‘Remaking America for the everyday Americans’.
5. Het verhaal moet levendig en gedenkwaardig zijn
De zeventien minuten van het campagnefilmpje vliegen voorbij, vanaf de eerste minuut wordt je door de zalvende stem van Tom Hanks meegenomen op reis, begeleidt door onheilspellende muziek wanneer het over de crisis gaat hoopgevende klanken wanneer het verhaal een meer optimistische wending neemt. Je reist langs foto’s van een zorgelijk kijkende Obama afgewisseld met foto’s waarop hij geruststellend glimlacht. Beelden van vertederende omaatjes en schattige kinderen, trotse burgers en stoere soldaten trekken aan je voorbij. Tenslotte begint én eindigt de spot met, uiteraard, een fier wapperende Amerikaanse vlag. Dat onthoud je wel.
6. Het verhaal moet emotioneren
Al onze snaren worden bespeeld in The road we’ve traveled. Obama die met zijn gezin het podium op loopt. Slow motion beelden van lyrische Amerikanen, zwaaiend met de vlag van hun vaderland. De intieme ontboezeming over Obama’s gestorven moeder. De inhouden ontroering in Barack’s stem wanneer ‘zijn’ militairen arriveren op Amerikaanse bodem; ‘Welcome home… welcome home. Welcome. Home.’ En als dat het nog niet voor je doet wat dan te denken van het gegeven dat Obama pas een beetje kon ontspannen nadat hij zeker wist dat ook de hond die aanwezig was bij de aanhouding van Osama Bin Laden ongedeerd was. Wie zich een beetje inleeft heeft van begin tot eind de tranen in zijn ogen staan.
7. Het verhaal moet centrale elementen hebben die makkelijk in een plaatje gevangen kunnen worden om de gedenkwaardigheid en emotionele impact te vergroten
Let maar eens op: gedurende het filmpje wordt Obama over het algemeen op twee verschillende manieren in beeld gebracht. Ofwel als de bezorgde pater familias die met zijn vuist onder zijn kin en zijn duim langs zijn wang fronsend zit te broeden op een oplossing voor alle problemen (maar liefst elf keer en beduidend vaker in het begin van de spot). Ofwel als een succesvol leider die, daadkrachtig met zijn vinger wijzend de boodschap ‘met ons valt niet te sollen’ uitzendt (negen keer en vaker aan het eind). Deze twee beelden vertellen de kijker dat het er zwaar aan toe is gegaan de laatste vier jaar (de frons), maar dat Amerika het hoofd boven water heeft gehouden (het wijzen) dankzij Obama.
8. Het verhaal moet veel emotie oproepende metaforen bevatten zodat er ook op deze manier een krachtige en simpele weergave van de boodschap gebracht kan worden
Toeval? Dat het aan het begin van het filmpje sneeuwt, het bewolkt is en er een gure wind waait terwijl we aan het eind een ondergaande zon, blauwe lucht en groen gras zien? En dat Obama eerst veel passief (foto’s) en later veel meer actief (filmpjes) wordt weergeven? Natuurlijk niet.Willekeur? Dat Obama in eerste instantie veel alleen en later door steeds meer mensen omringt wordt getoond? En dat ze muziek in het begin van de spot ronduit melodramatisch is en tegen het einde gloedvol? Uiteraard niet. Alles is in werking gesteld om die ene simpele boodschap over te brengen: het was slecht, toen kwam Obama, nu is het beter (en, wanneer u hem verkiest wordt het nóg beter).
9. Het verhaal moet elementen uit de het verhaal van de tegenpartij halen en deze ombuigen naar het eigen verhaal
Hoewel de spot geen directe aanval is op de republikeinen worden er wel steken onder water gegeven. Waar het op neerkomt: ‘wij nemen de gewone Amerikaan wel serieus.’ Wij de democraten, en dus niet zij, de republikeinen. Tussen de regels door worden de republieken tevens beschuldigd van vuile politieke spelletjes voor hun eigen gewin: ‘We would see the reward of desicions he made, not for quick political gain, but for the long term and enduring change.’ Ook de kleuren in een staafdiagram over de economische crisis lijken niet willekeurig gekozen: democratisch blauw voor de cijfer is de plus, republikeins rood voor de cijfers in de min.
10. Tenslotte moet het verhaal een bedtime story zijn wat je aan je kinderen zou kunnen vertellen
‘Er was eens een land hier ver vandaan. Het was er slecht weer en helemaal niet leuk. Veel mensen hadden geen geld om een huis of eten te kopen. Ook waren er veel mensen ziek en bang. Gelukkig was er een echte held in het land. Hij zorgde dat de mensen konden werken, en zo weer geld konden verdienen. En ook maakte hij de regel dat iedereen die ziek was, arm of rijk, naar het ziekenhuis kon komen. Ook jaagde hij alle gemene vijanden weg zodat niemand meer bang hoefde te zijn. De zon ging weer schijnen en iedereen leefde nog lang en gelukkig.’ En dat alles met je honingzoete berenstem van Tom Hanks…? Slaap zacht en Obama zal je American Dream vervullen.
foto via: allthingsd.com
Een ode, een canticum aan mijn nieuwe liefde: #Borgen

En weer een blog met een zeer populaire hashtag als titel. Borgen. Een regelrechte hit op twitter en elke politieke junk heeft het gezien, kijkt het nu of heeft het minimaal op zijn/haar ‘moet-nog-gelezen-en-of-bekeken-worden’ lijstje staan. De BBC noemde de serie al ‘dé nieuwe hit die je gezien moet hebben’. Normaliter kom ik al-tijd rijkelijk laat achter briljante dingen; de handigheid van een iphone, geniale websites, dat uggs toch best warm zijn in de winter, internet bankieren, green wheels etc. etc Uiteraard ontdekte ik borgen ook pas ruimschoots nadat elke politieke hipster de eerste twee seizoenen al zeven keer van achter naar voren gekeken had en inmiddels meer Deense worden kende dan alleen het veelgehoorde ‘hej hej’ en ‘tag’. Maargoed, ook rijkelijk laat ontdekte briljantie, blijft briljantie.
Kunstvreters

Zo eens in de zoveel tijd zie je of lees je iets wat nog maanden in je hoofd blijft hangen. In mijn geval geldt dan dat ik het liefst wil dat iedereen dat boek of die film of die documentaire ook zal lezen of kijken en zo met mij kan delen in die bijzondere ervaring. Bij deze wil ik graag een documentaire promoten, in de hoop mensen een glimlach op hun gezicht te geven in deze toch, het mag gezegd worden, barre tijden. Het gaat om een documentaire die ik al bijna twee maanden geleden heb gezien, maar waar ik dus nog steeds niet over uitgepraat raak.
Interview: trendwatchers Samuel Levie & Barbara Putman Cramer

Onlangs vielen BKB Academie alumni Samuel Levie en Barbara Putman Cramer in de prijzen bij de TWOTY Awards. Deze Trendwatcher of the Year Awards worden jaarlijks uitgereikt door Second Sight, een platform voor trends en trendwatching. BKB Academie ’12 sprak ze kort over de toekomstige trends.
